Veelgestelde vragen

Hieronder vindt u antwoorden op de meest gestelde vragen over onze producten, services en hoe te registreren. We hebben deze lijst samengesteld om u snel en gemakkelijk te helpen bij het vinden van de informatie die u zoekt. Gebruik een filter om alléén vragen en antwoorden te zien die dat onderwerp raken. Staat uw vraag er niet tussen? Neem dan gerust contact met ons op, we helpen u graag verder!

Alleen met een geldig NICE-Online account kunt u gebruik maken van de verschillende functionaliteiten van NICE-Online zoals bijvoorbeeld NICE-upload, Analyse Tool, downloads, NICE2Share, NICE2Improve.
De NICE-contactpersonen binnen uw centrum zijn verantwoordelijk voor het beheer van de accounts en uw toegangsrechten. Zij kunnen een NICE-Online account voor u aanmaken. Wilt u weten wie binnen uw ziekenhuis de NICE-contactpersoon is, stuur dan een e-mail naar info@stichting-nice.nl

Ieder half jaar ontvangt u een rapport waarin uw gegevens worden vergeleken met het nationaal gemiddelde en met voor u vergelijkbare ziekenhuizen. Om de kwaliteit van de rapportages te verhogen, ontvangt u eerst een concept rapport op grond van de beschikbare jaar- of halfjaar gegevens. U krijgt vervolgens 4 weken de tijd om uw eigen gegevens te controleren en eventueel een definitieve dataset over de betreffende periode aan te leveren. Wij streven er naar om het volgende schema aan te houden voor het versturen van de rapporten:

  • Concept jaarverslag: begin maart
  • Definitief jaarverslag: begin mei
  • Concept halfjaarverslag: begin september
  • Definitief halfjaarverslag: begin november

NICE werkte voorheen met een Master DataSet (MDS) en facultatieve modules, omdat de modules afzonderlijk werden bekostigd en de implementatie van de gegevensverzameling extra lasten en kosten met zich meebracht voor de deelnemende centra. Niet alle ziekenhuizen hadden hiervoor voldoende ruimte en budget, en door het ontbreken van een wettelijke basis konden de indicatoren van de facultatieve modules niet als verplicht worden aangemerkt.
Met de wijziging in de Wet Kwaliteitsregistraties Zorg en de (verwachte) centrale financiering is deze werkwijze komen te vervallen. De registratiecommissie IC heeft na een eerste review een groot deel van de modules en onderliggende variabelen opgenomen in de basisset, zoals beschreven in de verantwoordingstabel. Wanneer een indicator of variabele wordt vastgesteld als relevant voor leren, verbeteren en samen beslissen, is deze relevant en wordt deze verplicht gesteld door alle IC’s aangeleverd te worden.
De verantwoordingstabel vindt u hier.
De implementatie en organisatie van de gegevensaanlevering vergt tijd en de juiste infrastructuur. Het is begrijpelijk dat de ziekenhuizen capaciteit en tijd nodig hebben om dit zorgvuldig in te richten. Door samenwerking met EPD-leveranciers en het gebruik van landelijke datastandaarden willen we het steeds eenvoudiger maken om gegevens automatisch en rechtstreeks uit bestaande bronnen te hergebruiken, zodat handmatige invoer en administratieve lasten zoveel mogelijk worden beperkt.

Momenteel (juni 2026) is de registratiecommissie IC, samen met alle NICE-deelnemers, als onderdeel van de vijfjaarlijkse uitgebreide evaluatie, bezig via een online consultatie de indicatorenset en bijbehorende variabelen opnieuw te beoordelen op noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. Waar nodig worden aanpassingen doorgevoerd. Het streven is om de nieuwe indicatorenset in september 2026 ter goedkeuring te presenteren op de Algemene Ledenvergadering van de NVIC en de basisset opnieuw vast te leggen. We verwachten dus dat de basis in de komende maanden wordt aangepast.
De basisset van variabelen zoals gedefinieerd in de verantwoordingstabel dient verplicht aangeleverd te worden, voor de plusset neemt de registratiehouder contact op met zorgaanbieders om te bespreken of de aanlevering op dit moment passend is voor deze zorgaanbieder(s). Waarbij opgemerkt dient te worden dat de registratiehouder voor de plusset wel voldoende deelnemende zorgaanbieders nodig heeft om de benodigde ontwikkeling te kunnen realiseren. Indien de Registratiecommissie besluit tot aanpassingen aan de basisset, dan worden alle contactpersonen van deelnemende ICs en de EPD-leveranciers hiervan actief op de hoogte gesteld. U kunt zich aanmelden voor deze nieuwsberichten via info@stichting-nice.nl.

Met ingang van 1 januari 2027 wordt de NICE registratie, inclusief de verwerking van data ten behoeve van leren, verbeteren en samen beslissen, centraal gefinancierd door Zorgverzekeraars Nederland. Voor deelnemende ziekenhuizen zijn er dan geen kosten meer per module.
Deelnemende ziekenhuizen blijven verantwoordelijk voor de dataverzameling en -aanlevering, conform de geldende wet- en regelgeving. Eventuele verdere verwerking en/of analyse ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek valt buiten de centrale financiering. Voor meer informatie verwijzen we jullie graag naar: Financiering van kwaliteitsregistraties – Landelijkekwaliteitsregistratie.nl

Op dit moment (juni 2026) bent u niet verplicht om over te stappen op FHIR voor het aanleveren van data aan de NICE-registratie. Echter, er zijn sterke aanwijzingen dat FHIR in de nabije toekomst wél verplicht zal worden voor gegevensuitwisseling in de zorg. HL7 FHIR is gekozen als landelijke standaard en zal onder andere vanuit de European Health Data Space (EHDS) en de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) verplicht worden voor alle gegevensuitwisselingen. Wij raden u daarom aan om de overgang naar FHIR serieus te overwegen. Tot slot zien wij dat softwareleveranciers op deze overgang anticiperen, door bijvoorbeeld bij nieuwe contracten alleen nog FHIR-aanleveringen te ondersteunen.

Nee, u bepaalt zelf wanneer u uw records valideert. U kunt bijvoorbeeld eens per week of per maand uw gegevens valideren, afhankelijk van uw interne werkwijze. De gegevens worden wél dagelijks naar NICE verstuurd, maar krijgen de status “ongevalideerd”. Ongevalideerde gegevens worden enkel meegenomen voor monitoring en surveillance doeleinden door het RIVM. Door de dagelijkse en automatische aanlevering van gegevens wordt het mogelijk om snel en actueel inzicht te krijgen in het aantal ziekenhuis- en IC-opnames vanwege ernstige luchtweginfecties (SARI) in Nederland. Dit is essentieel voor een effectieve SARI-surveillance en het tijdig signaleren van trends of uitbraken. Totdat u de records heeft gecontroleerd en afvinkt als een compleet en “gevalideerd” record, zullen deze niet mee worden genomen in rapportages, NICE online of de nationale benchmark.

De benodigde inspanning verschilt per ziekenhuis en softwareleverancier:

  • Itémedical en ChipSoft: De overgang vergt relatief weinig inspanning; de meerderheid van de uren werk zullen bij de softwareleverancier komen te liggen.
  • EPIC: De overgang vraagt meer inzet van de interne ICT- of BI-afdeling, bijvoorbeeld voor het omzetten van bestaande data naar FHIR en het inrichten van automatische berichtenverkeer. Er zijn twee ziekenhuizen die scripts hebben ontwikkeld. Zij hebben aangegeven dat de implementatie ongeveer 12-16 uur in beslag neemt en dat zij bereid zijn om hun kennis hierover te delen. U kunt contact met ons opnemen indien u deze informatie wilt ontvangen
  • Overige leveranciers: De benodigde inspanning kan variëren; neem contact op met uw leverancier voor specifieke informatie.

Ja, via NICE-online heeft u inzage in uw aangeleverde records. Hier vindt u informatie over eventuele fouten in records, welke records door u zijn gevalideerd en welke nog wachten op goedkeuring. Dit overzicht helpt u om de kwaliteit van uw aanleveringen te bewaken. Aanvullend ontvangt u maandelijks een e-mail met een samenvatting van de openstaande foutmeldingen en de nog niet gevalideerde records. Op deze manier blijft u goed op de hoogte van de maandelijkse status van uw FHIR-aanleveringen. Daarnaast blijft u van ons eens per kwartaal het datavalidatierapport ontvangen met controles op inconsistenties en compleetheid van de data.

Het grootste voordeel van FHIR is de vermindering van administratieve lasten en handmatige aanleveringen. Zodra de FHIR-koppeling is geïmplementeerd, worden gegevens automatisch verstuurd. Let op, u moet nog wel uw records valideren wanneer deze compleet zijn gevuld. Daarnaast is FHIR een toekomstbestendige en internationaal erkende standaard, waardoor uw data-uitwisseling efficiënter en veiliger verloopt en de data ingezet kan worden voor bijvoorbeeld monitoring en surveillance-doeleinden. Zo draagt u met de FHIR-aanlevering bij aan surveillance van respiratoire infecties door het RIVM. Door de dagelijkse en automatische aanlevering van gegevens wordt het mogelijk om snel en actueel inzicht te krijgen in het aantal ziekenhuis- en IC-opnames door ernstige luchtweginfecties (SARI) in Nederland. Dit is essentieel voor een effectieve SARI-surveillance en het tijdig signaleren van trends of uitbraken. Zonder deze dagelijkse aanlevering zou het RIVM niet in staat zijn om de actuele situatie rondom luchtweginfecties goed te monitoren en waar nodig passende maatregelen te adviseren. Uw aanleveringen via FHIR dragen daarmee direct bij aan de volksgezondheid in Nederland.

Voor een veilige FHIR-koppeling is een geverifieerd certificaat nodig. Het certificaat dient als een digitale sleutel/identiteitsbewijs voor veilige en betrouwbare data uitwisseling tussen de ziekenhuizen en de NICE. Het verdient de voorkeur om dit certificaat via uw eigen organisatie of een vertrouwde Certificate Authority te verkrijgen (bijvoorbeeld VeCoZo, Redhat of Microsoft). Hiervoor kunt u contact opnemen met uw functioneel beheerder. Mocht het niet mogelijk zijn om een certificaat te verkrijgen via een vertrouwde Certificate Authority, dan kan NICE een certificaat uitgeven. Neem hiervoor contact op met info@stichting-nice.nl.
Het certificaat moet correct worden ingesteld op uw systeem, hier is uw software leverancier voor nodig. Zodra het certificaat is gekoppeld op uw systeem, moet het certificaat worden geüpload op NICE-online. Ga hiervoor naar NICE-online > Home > Data aanleveringen > “Registreer hier je certificaat voor aanlevering via FHIR”.

Om het VeCoZO certificaat te verlengen, kunt u contact opnemen met de functioneel beheerder van uw ziekenhuis. De beheerder dient bij VeCoZo het certifcaat te verlengen. Zodra een verlenging van het certificaat is aangevraagd, dient de functioneel beheerder deze eerst te installeren in de certificatenmanager op de COMEZ-server waar het ‘oude’ certificaat ook stond. U hoeft niks te wijzigen in de koppeling.
Het nieuwe certificaat moet geüpload worden op de NICE-Online omgeving (zie link) om er gebruik van te maken en de FHIR-aanleveringen voort te zetten. Door het registreren van het certificaat wordt het certificaat gekoppeld aan uw ziekenhuisnummer. Dit is noodzakelijk om de FHIR-aanleveringen te kunnen doen.

Als het VeCoZo certificaat niet tijdig wordt verlengd, dan moet er een nieuw certificaat worden aangevraagd bij VeCoZo. Nadat deze is aangevraagd en is geïnstalleerd op uw systeem, kunt u aan een koppelingen consultant van ChipSoft vragen (via een supportcall) om het nieuwe certificaat correct in de koppeling te zetten. Hierbij is het van belang dat u aangeeft bij de consultant om welk certificaat het gaat, inclusief abonnement nummer en verloopdatum. Hierna kan het certificaat op de NICE-Online omgeving worden geüpload.

Neemt u hiervoor alstublieft contact op met info@stichting-nice.nl

ChipSoft: een retrospectieve aanlevering kan als NICE-gebruiker worden gedaan via het aanleveringen overzicht. Hier kan een aanlevering toegevoegd worden en de dataset worden bepaald via twee mogelijkheden:

  1. Aanleveren op basis van terugkijkperiode
    • Stel zelf een terugkijkperiode in (in plaats van de standaard 7 dagen), bijvoorbeeld vanaf 1 maart 2026.
    • Alle opnamen die sinds die datum zijn toegevoegd of gewijzigd worden dan aangeleverd.
  2. Aanleveren op basis van opnamedatum
    • Kies een opnamedatumbereik, bijvoorbeeld 1 maart 2026 t/m heden.
    • Alle opnamen waarvan de IC-opname valt in deze periode worden aangeleverd.
    • Latere wijzigingen aan opnamen buiten dit datumbereik (bijvoorbeeld ontslag in februari, update in april) worden hierbij niet meegenomen. Het zetten van een bredere periode kan dan handig zijn.

Let op: bij beide opties moet de instelling “Exporteren per object” aangevinkt worden, anders voldoet de berichtstructuur niet volgens ChipSoft.

Itémedical (Mediscore): De terugkijkperiode van Mediscore staat standaard op 3 maanden. Vanaf versie 11.6 of hoger is het mogelijk om deze aan te passen. Wilt u wijzigingen versturen van opnamen langer dan 3 maanden geleden, dan dient u de terugkijkperiode eenmalig op een langere periode te zetten.

Overig: Neemt u hiervoor contact op met uw functioneel beheerder of software leverancier.

Kijkt u op onze FHIR specifieke website of neem gerust contact op met NICE via info@stichting-nice.nl. Wij helpen u graag verder!

Alle patiënten die op de IC worden opgenomen dienen gescoord te worden, dus ook de Recovery en CCU-patiënten. Het is belangrijk om de gegevens van patiënten die op de IC zijn opgenomen aan te leveren, zodat kwaliteitsindicatoren zoals de verpleegkundige/patiënt ratio en dagen met 100% bezetting correct worden berekend. Het is binnen de registratie mogelijk om niet IC-patiënten te identificeren met van het veld type patiënt.
Het veld type patiënt heeft verschillende opties:

  1. IC-patiënt (default waarde)
  2. Recovery patiënt
  3. IC-patiënt na recovery periode
  4. Patiënt niet onder eindverantwoordelijkheid van de intensivist

Alle patiënten die worden gemarkeerd als recovery patiënt (optie 2) en patiënt niet onder eindverantwoordelijkheid van de intensivist (optie 4) zijn als groep terug te vinden in de rapportages, maar worden geëxcludeerd voor de berekening van de SMR. Voor specifieke casussen verwijzen wij u naar de Data Dictionary: NICE Data dictionary.

Alle patiënten die op de IC worden opgenomen dienen gescoord te worden, dus ook de MC-patiënten. De definitie van een MC-patiënt is niet eenduidig vast te stellen, daarom heeft het NICE-bestuur de volgende regel opgesteld: voor alle patiënten onder verantwoordelijkheid van de intensivist, al dan niet op een separate of geïntegreerde IC/MC-afdeling, wordt de MDS gescoord. Dit betekent het volgende:

  • MC-patiënt opgenomen op IC onder eindverantwoordelijkheid intensivist.
    Patiënten die van de IC naar de MC of van de MC naar de IC overgeplaatst worden, behouden dezelfde opname. Dit wordt gezien als één opnameperiode, waarover één MDS-record wordt aangeleverd. De opgenomen MC-patiënt valt onder eindverantwoordelijkheid van de intensivist, daarom dient bij het veld type patiënt optie 1 IC-patiënt gekozen te worden.
  • MC-patiënt opgenomen op IC niet onder eindverantwoordelijkheid intensivist.
    Als de opgenomen MC-patiënt niet onder eindverantwoordelijkheid van de intensivist valt, dan dient in de MDS bij het veld type patiënt optie 4 Patiënt niet onder eindverantwoordelijkheid van de intensivist gekozen te worden. Zodra de eindverantwoordelijkheid van de patiënt wordt overgedragen aan de intensivist, dient dit als nieuwe opname op de IC te worden gezien. Er wordt dan dus een nieuwe MDS-record aangeleverd, waarvoor bij het veld type patiënt optie 1 IC-patiënt gekozen wordt.

De IC-ontslagtijd en IC-ontslagdatum is het tijdstip waarop de patiënt overlijdt.

Heropname wordt door de NICE centraal berekend op basis van de aangeleverde IC- en ziekenhuisopname en ontslaggegevens. Zodra een patiënt het ziekenhuis heeft verlaten, kan het volgens de NICE-definitie geen heropname meer zijn.
In dit geval is er een ziekenhuisontslag voor de betreffende patiënt aangeleverd, namelijk de datum waarop de patiënt naar het andere ziekenhuis werd overgeplaatst. Om deze reden zal de tweede IC-opname (retour van het ziekenhuis die de patiënt tijdelijk had overgenomen) niet gezien worden als heropname. De opname dient opnieuw gescoord te worden, maar zal vanwege de herkomst (IC/CCU ander ziekenhuis) wel worden geëxcludeerd door het APACHE IV model.

Indien een patiënt binnen 4 uur naar de OK gaat en tijdens de operatie overlijdt:

  • IC-ontslagtijd: registreer het tijdstip waarop de patiënt de IC verlaat en naar de OK gaat.
  • Ontslagbestemming: registreer verpleegafdeling, zelfde ziekenhuis.

Indien een patiënt meer dan 4 uur op de IC verblijft vóór vertrek naar de OK en tijdens de operatie overlijdt:

  • IC-ontslagtijd: registreer het moment van overlijden.
  • Ontslagbestemming: registreer mortuarium.

De ziekenhuisopname eindigt op het moment dat de patiënt wordt overgeplaatst naar een psychiatrische afdeling of (onafhankelijk) revalidatiecentrum, ook als deze binnen het eigen ziekenhuis is. Dergelijke overplaatsingen dienen geregistreerd te worden als ziekenhuisontslag en niet al overplaatsing naar andere afdeling binnen het eigen ziekenhuis. Het onjuist registreren kan leiden tot een lange ziekenhuis behandelduur. Het is belangrijk om te weten dat het APACHE IV-model een exclusiecriteria hanteert van maximaal 365 ziekenhuisdagen. Patiënten die deze duur overschrijden worden niet meer meegenomen in de berekening van de SMR.
Ziekenhuis ontslagdatum en –tijd: registreer het tijdstip dat de patiënt wordt overgeplaatst naar de psychiatrische afdeling of het revalidatiecentrum.

In het geval dat de patiënt enkel voor de intubatie (onder gecontroleerde omstandigheden) naar de OK gegaan is of in geval van een afgeblazen operatie waarbij de patiënt zonder operatieve verrichting van de OK naar de IC komt (bijvoorbeeld na allergische reactie tijdens inductie, incomplete documentatie, onverwachte tekort aan personeel of materiaal et cetera), dan wordt de OK als herkomst genegeerd en wordt de afdeling voorafgaand aan de OK als herkomst geregistreerd. Het opnametype is dan medisch.

Alle patiënten die vanaf de OK worden opgenomen en daar ook daadwerkelijk een operatie hebben ondergaan dienen met een chirurgische opnametype gescoord te worden. Dat geldt ook voor de patiënt in bovengenoemde casus. Verder moet dan tenminste één chirurgische APACHE IV opnamediagnose (iets dat past bij de borstoperatie) worden geselecteerd. De tweede APACHE IV opnamediagnose kan wel medisch zijn (anafylactische shock).

  • Patiënten jonger dan 16 jaar.
  • Patiënten die korter dan 4 uur op de IC verbleven.
  • Patiënten die langer dan 365 dagen in een ziekenhuis opgenomen zijn.
  • Patiënten die al zijn overleden voor IC-opname.
  • Heropnamen.
  • Patiënten opgenomen vanaf een andere CCU/ICU (dit criterium geldt wel voor het originele APACHE IV model maar wordt niet door NICE toegepast).
  • Patiënten opgenomen voor brandwonden of transplantaties,
  • CCU patiënten of recovery patiënten.
  • Patiënten met missende opnametype of opnamediagnose.

Het APACHE IV model gaat bij de berekening van de sterftekans uit van de eerste initiële opname, omdat het model niet geschikt is de sterftekans van de heropname te berekenen. Vandaar dat de heropname buiten beschouwing wordt gelaten.

De IC-opnamen met een sterftekans lager dan 20% waarbij de IC-patiënt toch is komen te overlijden worden teruggekoppeld in het (half)jaarrapport. Een IC kan dan controleren of deze sterfte voorkomen had kunnen worden of dat er sprake is van een registratiefout. Als alles goed geregistreerd is en de sterfte verklaard kan worden door bijvoorbeeld een heropname dan zijn er geen verdere verbeteracties nodig.

De APACHE II en SAPS II modellen zijn oudere modellen (respectievelijk 1985 en 1993) die een verwachte sterftekans genereren op basis van de kwaliteit van zorg op het moment van de ontwikkeling van de modellen. In de loop der jaren is de gezondheidszorg sterk verbeterd waardoor er minder patiënten overlijden. Dit resulteert in een gemiddelde SMR lager dan 1, aangezien er minder sterfte is dan verwacht (een SMR van 1 betekent net zoveel sterfte als verwacht). Het APACHE IV model is een recenter model (2006) dat de verwachte sterftekansen berekent aan de hand van de kwaliteit van de gezondheidszorg uit 2006. Hierdoor zal de SMR van het APACHE IV model gemiddeld dichter bij de 1 liggen en dus hoger uitvallen dan bij de oudere modellen.

Voor de APACHE IV diagnose kan het beste bij medische patiënten gekozen worden voor de hoofdgroep “Vascular medical, other”. Voor operatieve patiënten kan het beste worden gekozen voor de hoofdgroep “Vascular surgery, other”.

De APACHE IV diagnose die hier het beste bij past is “Seizures (primary-no structural brain disease)”. Het is niet de bedoeling om bijvoorbeeld patiënten die epileptisch zijn door een actieve encefalitis met deze diagnose te scoren. Voor dit type patiënten kan “neurologic medical, other” gebruikt worden.

Indien de patiënt van de OK komt en het opnametype van de patiënt chirurgisch is, dan is de meest geschikte diagnose “Genitourinary surgery, other“. Indien de patiënt niet van de OK komt en het opnametype van de patiënt medisch is dan is hiervoor een specifieke diagnose beschikbaar, namelijk “hemorrhage, post-partum“.

Indien het opnametype van de patiënt chirurgisch is, dan zijn dit de meest geschikte diagnosen: “complications of previous GI surgery“, “complications of previous peripheral vascular surgery“ of “complications of previous open-heart surgery“. Indien het opnametype van de patiënt medisch is, dan is hiervoor een specifieke diagnose beschikbaar, namelijk “Anaphylaxis“.

  • Orgaandonor is overleden vóór de IC-opname

Wanneer de patiënt vóór de IC-opname is overleden, kan deze worden geregistreerd met opnametype “overleden voor IC-opname”. Omdat het geen IC-patiënt betreft, wordt deze persoon niet meegenomen in de APACHE IV-sterftekansberekening en de SMR-berekening van uw IC. Voor de APACHE IV opnamediagnose kan in dit geval “Transplant, other, non operative admission” worden geregistreerd. De opnametijden hebben betrekking op de periode dat de donor fysiek op de IC aanwezig is geweest voor de donatieprocedure.

 

  • Orgaandonor is overleden tijdens de IC-opname

Wanneer de patiënt op de IC is behandeld en daar is overleden, wordt de APACHE IV-diagnose geregistreerd waarvoor de patiënt oorspronkelijk op de IC is opgenomen. Daarnaast kunt u optioneel een tweede APACHE IV-diagnose registreren voor de donatieprocedure: “Transplant, other, non operative admission”. Op deze manier blijft duidelijk wat de initiële reden voor IC-opname was, terwijl de donatieprocedure aanvullend wordt vastgelegd.

De APACHE IV diagnose die hierbij het beste past is “Thoracotomy for other reasons”. Wanneer de VATS wordt uitgevoerd om een maligniteit in de borstkas te verwijderen is de meest geschikte diagnose ‘’Thoracotomy for other malignancy in chest”.

De APACHE IV diagnose die hierbij past is “Neuromuscular medical, other”.

Bij een CABG-patiënt met ECMO dient de APACHE IV opnamediagnose “CABG alone” gescoord te worden, omdat dit het initiële probleem van de betreffende patiënt is. Het is niet de bedoeling dat de opnamediagnose “CABG with other operation” gescoord wordt, aangezien ECMO een circulatie therapie is en niet meegenomen mag worden bij het scoren van de opnamediagnose. Op deze manier worden ze meegenomen in de juiste SMR-berekening.

Indien een patiënt gesedeerd of geïntubeerd is dan mag de score van voor de sedatie/intubatie gescoord worden. Wanneer een patiënt voor de sedatie/intubatie niet wakker was door mogelijk een hersenbeschadiging of hartstilstand dan mag een zo goed mogelijke schatting van de score zonder sedatie/intubatie gescoord worden. De enige uitzondering is intoxicatie, zie vraag hieronder. Alle onderdelen van de GCS-variabelen dienen altijd gescoord te worden.

Ja, in tegenstelling tot de anesthesie- en sedatie-effecten bij postoperatieve patiënten mogen de sedatie-effecten als gevolg een intoxicatie wel meegenomen worden. Dit geeft een inschatting van de ernst van intoxicatie.

Als de patiënt afatisch is, dan mag de score geschat worden die er zou zijn zonder afasie. Als vuistregel kan het volgende gebruikt worden:

  • Bij een EM-score van 2 t/m 6: V = 1
  • Bij een EM-score van 7: V = 2
  • Bij een EM-score van 8 of 9: V = 4
  • Bij een EM-score van 10: V = 5

Er mag alleen een GCS van <15 gescoord worden als er een geobjectiveerd verlaagd bewustzijn is (en dan niet door overlijden).
Voorbeelden:

  • Een septische patiënt die met een GCS van 3-5-3 wordt opgenomen op de IC, wordt geïntubeerd en gesedeerd en 4 uur later overleden is heeft een GCS van 3-5-3.
  • Een patiënt gaat wakker de OK in, er gaat iets verkeerds op OK en hij komt geïntubeerd/beademd op IC. Patiënt overlijdt na 18 uur en heeft een GCS van 4-6-5

Nee, de pO2, pCO2 en pH dienen uit het arteriële gas met de slechtste oxygenatie gehaald te worden. Indien er geen arteriële gas genomen is dan mogen deze variabelen niet uit het veneuze gas dan wel capillair gesubstitueerd worden. De variabelen blijven dan leeg. Dit geldt ook voor de laagste en hoogste bicarbonaat (HCO3). De overige bloedwaarden mogen wel uit alle samples (arterieel, veneus en capillair) worden bepaald.

Van elke patiënt die op de IC wordt opgenomen, ongeacht de behandelduur, moet alle beschikbare informatie ingevuld worden. Vergeet niet de juiste tabbladen te open na de eerste 24 uur alvorens de patiënt definitief wordt gemaakt, ook al is de patiënt binnen 24 uur ontslagen. Als de informatie niet gedurende de IC-opname beschikbaar is (bijvoorbeeld een bilirubine uitslag) dan wordt de betreffende variabele leeggelaten. Er wordt nooit lab alleen ten behoeve van de NICE afgenomen. Indien een patiënt op de IC overlijdt dan is de minimale bloeddruk en hartfrequentie etc. NIET gelijk aan 0. Een IC-verpleegkundige registreert en valideert de laatste relevante waarde voordat de patiënt is komen te overlijden bijvoorbeeld een bloeddruk van 40/20 en een hartfrequentie van 30.

Het gaat bij beademing bij opname om de intentie, waarbij een richttijd van 15 minuten geldt, maar waar best een periode van 30 minuten gehanteerd mag worden. De 15 minuten zijn expliciet benoemd om te zorgen dat we ook de geeffectueerde beademing binnen eerste 30 minuten mee kunnen nemen. Voorbeelden:

  • Wordt een patiënt opgenomen met de intentie om beademd te worden (al dan niet invasief) en is dat inderdaad binnen 15 tot max 30 minuten geëffectueerd? Scoor “ja” bij “mechanische ventilatie bij IC-opname”.
  • Wordt een patiënt opgenomen met de intentie om beademd te worden (al dan niet invasief), maar om bepaalde redenen duurt dit langer dan circa 30 minuten? Dan is de patiënt bij opname niet beademend en dient men “nee” te scoren bij “mechanische ventilatie bij IC-opname”.
  • Wordt een patiënt opgenomen, zonder de intentie om beademd te worden, maar om bepaalde redenen is de patiënt toch in het eerste half uur beademd, dient men “ja” te scoren bij “mechanische ventilatie bij IC-opname”.

De Standardized Mortality Ratio (SMR) is het totaal aantal IC-patiënten die in het ziekenhuis zijn overleden gedeeld door de verwachte ziekenhuissterfte in die IC-populatie. De verwachte ziekenhuissterfte wordt berekend met een wiskundig model, bijvoorbeeld APACHE IV. Op grond van demografische kenmerken, diagnosen en fysiologische verstoring wordt de ernst van ziekte bij opname berekend en omgezet in een sterftekans. Een SMR van 1 op basis van het APACHE IV model betekent dat de ziekenhuissterfte vergelijkbaar is met de case-mix gecorrigeerde ziekenhuissterfte in de Amerikaanse populatie uit 2005 waarop het APACHE IV model is ontwikkeld. De gemiddelde SMR in de Nederlandse IC’s ligt ruim onder de SMR van 1, hetgeen betekent dat we tegenwoordig in Nederland een veel lagere ziekenhuissterfte hebben dan wordt verwacht volgens het APACHE IV model. Wij raden daarom aan om de SMR niet te vergelijken met 1 maar met het nationaal gemiddelde of een groep andere vergelijkbare IC’s. Bij een Nederlandse geijkte SMR betekent een SMR boven de 1 dat er meer sterfte is dan verwacht op basis van het nationale gemiddelde. Echter, pas wanneer een SMR buiten een betrouwbaarheidsinterval valt, kunnen we spreken van significante oversterfte.

De VLAD-curve (Variable Life-Adjusted Display) laat in de tijd zien hoe de werkelijke sterfte op uw IC zich verhoudt tot de verwachte sterfte op basis van het risicoprofiel van uw patiënten.
Voor elke opgenomen patiënt wordt berekend wat de verwachte sterftekans is (bijvoorbeeld 20%). Vervolgens wordt gekeken of de patiënt daadwerkelijk is overleden of niet. Het verschil tussen de uitkomst en de verwachte sterftekans wordt bij de VLAD-waarde opgeteld:

  • Als een patiënt overleeft, wordt de VLAD verhoogd met (1 – verwachte sterftekans)
  • Als een patiënt overlijdt, wordt de VLAD verlaagd met (verwachte sterftekans – 1)

De cumulatieve som van al deze verschillen wordt uitgezet tegen de tijd. Daardoor ontstaat een lijn (de VLAD-curve) die het verloop op uw IC weergeeft.
De curve wordt als volgt geïnterpreteerd:

  • Stijgende VLAD-curve: De werkelijke sterfte is lager dan de verwachte sterfte: er zijn in die periode minder patiënten overleden dan op basis van hun risico-profiel werd verwacht.
  • Dalende VLAD-curve: De werkelijke sterfte is hoger dan de verwachte sterfte: er zijn in die periode meer patiënten overleden dan op basis van hun risico-profiel werd verwacht.

Let op: De vorm van de VLAD-curve is sterk afhankelijk van het aantal opnamen en het risico-profiel van de patiënten. Daardoor is de VLAD-curve niet geschikt om direct te vergelijken tussen verschillende ziekenhuizen. De VLAD-curve is vooral bedoeld om ontwikkelingen binnen uw eigen IC in de tijd te volgen, bijvoorbeeld om te zien of er na een verandering in organisatie of behandeling een trendbreuk optreedt.

Om variaties in gecorrigeerde mortaliteit tussen de verschillende deelnemende IC’s te illustreren wordt gebruik gemaakt van funnelplots. Elke IC wordt weergegeven als afzonderlijke stip af. Op de X-as wordt het aantal opnamen weergegeven en op de Y-as de waarde van de indicator, bijvoorbeeld de SMR of de lange termijn SMR. De horizontale lijn geeft de geijkte SMR voor Nederland weer, de trechtervormige lijnen vormen de bijbehorende 95%- en 99,8%-betrouwbaarheidsintervallen. Deze trechtervormige lijnen benadrukken dat er niet één waarde van de indicator als normaal beschouwd moet worden, maar dat er een range van waarden normaal is. De funnelplot houdt rekening met de toegenomen onzekerheid in de getoonde waarden bij kleine aantallen opnamen, hetgeen grafisch inzichtelijk wordt gemaakt door de bandbreedte van de betrouwbaarheidsintervallen. Naast de aantallen opnamen wordt bij de breedte van de betrouwbaarheidsintervallen rekening gehouden met geobserveerde variatie in de mortaliteit die niet verklaard kan worden door case-mix factoren.
Alleen de punten die buiten deze range liggen, wijken significant af van het landelijk gemiddelde. Ook als de resultaten van een individuele IC gelijk zijn aan de resultaten van heel Nederland, dan is er toch een kleine kans van 5% dat de waarde van een indicator door toeval buiten de 95% funnel ligt. Bij 76 deelnemende IC’s mag je daarom verwachten dat er altijd één of meer IC’s zijn die buiten de funnel vallen zonder dat dit veroorzaakt wordt door een tekortschietende kwaliteit.

Antwoord binnen twee werkdagen

Heb je een vraag?

Heeft u vragen over de diensten en producten van Stichting NICE? Vul dan het formulier in, en wij zorgen ervoor dat u zo snel mogelijk een antwoord krijgt. We staan klaar om u te helpen!

Alle contact mogelijkheden

Contactformulier

"*" indicates required fields

This field is for validation purposes and should be left unchanged.
Name*